UITGANGSPUNTEN van de steinerpedagogie


"Kind mogen zijn om een vrij mens te kunnen worden"

Ontwikkeling als doel, leerstof als middel ...

Een steinerschool is - al zeggen we het zelf - een buitenbeentje!.

Iedereen wil wel beweren dat elk kind uniek is enzovoort; wij handelen er ook naar.
Wij vinden dat een school vooral niet moet dienen om kinderen zo om te vormen, tot ze naadloos in de bestaande samenleving passen. De vraag die wij ons stellen is eerder: hoe kunnen deze kinderen zich dusdanig ontplooien, dat ze als vrije en zelfbewuste mensen in staat zullen zijn vanuit zichzelf iets nieuws en verfrissends aan onze samenleving toe te voegen?
Een totaal ander uitgangspunt!

"De vraag is niet, wat de mens moet kunnen en weten teneinde zich in de bestaande sociale orde te kunnen voegen; maar wel, wat er in aanleg in de mens aanwezig is en in hem ontwikkeld kan worden. Dan wordt het mogelijk dat de opgroeiende generatie de maatschappij steeds nieuwe krachten toevoegt. Dan zal in deze maatschappij datgene leven wat de in haar tredende volwaardige mensen scheppen; maar uit de opgroeiende generatie mag niet datgene gemaakt worden wat de bestaande maatschappij van deze generatie maken wil."

Ook in bovenstaand, kenschetsend citaat van Rudolf Steiner wordt beknopt, maar helder de doelstelling van onze pedagogie weergegeven in haar verhouding tot de maatschappij.
Ware opvoeding mag nooit uitgaan van abstracte, buiten de mens gelegen doelstellingen, maar van de levende werkelijkheid van de opgroeiende mens.
Jongeren moeten vrije en zelfstandige mensen kunnen worden.


Wat betekent dit in de praktijk?

Voortdurende wakkerheid voor de ontwikkelingsweg van ieder opgroeiend kind, dat is het vertrekpunt. Wat komt dit kind ons vertellen? Over zichzelf, over mijzelf, over de wereld?
Vanuit eerbied voor de eigenheid van ieder kind zoekt de leerkracht naar de beste manier om het te begeleiden in zijn ontplooiing.
Evenwicht in de intellectuele, sociale en daadkrachtige kwaliteiten wordt hierbij nagestreefd.
De leerstof is dan het middel, waaraan het kind zich kan ontplooien.

     Steineronderwijs - Situering in het onderwijsveld

Een Rudolf Steinerschool behoort tot het vrij, gesubsidieerd, niet-confessioneel onderwijs en staat open voor alle kinderen, ongeacht godsdienstige, culturele, sociale of etnische afkomst.
Aan ons onderwijs of pedagogisch project liggen inzichten omtrent mens en wereld ten grondslag, die door Dr. Rudolf Steiner in vele geschriften en voordrachten zijn ontwikkeld. Onze onderwijsvorm tracht de ethisch-religieuze en humanistische waarden die in de verschillende culturen ontwikkeld zijn voor de kinderen beleefbaar te maken.

     Steineronderwijs - Algemene doelstelling

De leraren trachten het onderwijs in dienst te stellen van de persoonlijkheidsvorming, met inbegrip van de sociale vorming. Dit houdt in dat het streven gericht is op de ontplooiing van een krachtig willen, een warm voelen en een helder denken.
Het bereiken van uiterlijke, genormeerde onderwijsresultaten zonder ervaren diepgang voldoet niet.

Ons onderwijs streeft naar een meer evenwichtige ontwikkeling van intellect, creativiteit en sociale vaardigheid en wil leiden tot de kennis, inzichten en vaardigheden die in de huidige tijd nodig zijn om zich als zelfstandig en authentiek mens te kunnen ontwikkelen.

De pedagogisch-didactische grondhoudingen corresponderen met ontwikkelingsfasen.

  • 0-6/7 jaar: het ontwikkelen van levensvertrouwen, een voorwaarde voor een vrije en autonome houding van de latere volwassene ten opzichte van de wereld rondom hem (de mens als vrije geestelijke individualiteit) = VRIJHEID

  • 6/7-13/14 jaar: het ontmoeten van de mens om het omvormingsproces van leerstof tot ontwikkelingsstof, een voorwaarde om als latere volwassene de ander, de medemens, als gelijke te erkennen (mensen als gelijken in politiek-maatschappelijk opzicht) = GELIJKHEID

  • 13/14-21 jaar: het ervaren van de echte interesse waarmee de leraar door de bril van zijn vakgebied het wereldbeeld voor de leerling opbouwt, een voorwaarde om als latere volwassene broederschap te kunnen praktiseren (de mens die in economisch opzicht de aarde en haar voortbrengselen deelt) =  BROEDERSCHAP

Het waren de idealen van de Franse Revolutie, het zijn de ontwikkelingsmotieven van onze school.

Ons onderwijs wil voor de leerlingen deze kwaliteiten behoeden, bevorderen en voor het latere leven vruchtbaar maken. Rudolf Steiner heeft deze samengevat in:

  • LEVENSVERTROUWEN voor de peuter/kleuter als vertrouwen in GOEDHEID. Ervaren van goedheid leidt tot de WIL tot betrokkenheid, deelname

  • BELEVINGSRIJKDOM voor het lagere- schoolkind als beleving van SCHOONHEID. Ervaren van schoonheid spreekt het GEVOEL (emotie, verlangen)

  • REALITEITSERVARING voor het middelbaar onderwijs als weg tot WAARHEID.  Zoeken naar waarheid gebeurt vanuit het DENKEN (vanuit distantie en reflectie)

  • Steinerscholen hanteren eigen eindtermen en ontwikkelingsdoelen, gekristaliseerd in een eigen (door de overheid goedgekeurd) leerplan.

  • Het leerplan werd geïnspireerd door een ontwikkelingspsychologie. Het geeft veelomvattende thema's aan, die verbonden zijn aan fases in de kinder- en jeugdontwikkeling. Deze essentie maakt mogelijk, dat onderwijs eerst en vooral pedagogie is. Om daartoe als bron te kunnen functioneren, wordt het leerplan met zijn menskundig onderbouwde pedagogie door leraren verinnerlijkt.

  • Het onderwijs is situationeel. Inhoud en vorm komen tot stand in concrete leersituaties, in de relatie tussen een bepaalde leraar en bepaalde leerlingen. Deze kwaliteit van het onderwijs maakt het mogelijk, dat een leerling gestimuleerd en begeleid wordt bij het vormen van eigen waarden en normen. Hiervoor is nodig dat, binnen de school voor de leraar een organisatorische, en in de samenleving voor de school, een vrijheidsruimte wordt uitgespaard.
  • Het onderwijs is intuïtief. Daardoor kan in onderwijssituaties aan het punt geraakt worden, waarop voor de desbetreffende leerling op dat moment ontwikkeling mogelijk is. Het bereiken van deze kwaliteit in zijn onderwijs impliceert voor de leraar bij de voorbereiding en uitvoering van zijn taak een telkens herhaalde oefenweg: observeren, uitwisselen van observaties met collega's, meditatieve bezinning, verkenning van de menskunde, situationeel handelen.
  • Het onderwijs wordt in hoofdzaak gegeven aan klassen, dat wil zeggen qua vermogens heterogene, qua leeftijd homogene groepen van leerlingen, die de school gezamenlijk doorlopen. Bekendheid met en veiligheid in de groep hoeven niet telkens opnieuw gerealiseerd te worden. Daardoor kunnen, in elke leeftijdsfase weer andere, sociale vermogens ontplooid en beoefend worden. Hiervoor is nodig, dat de school zoveel als mogelijk vrij blijft van vroegtijdige selectie en determinatie.
  • Het onderwijs is kunstzinnig. Het beleven van schoonheid en harmonie is voor het basisschool-kind een voorwaarde om zich innerlijk te verbinden met de door het onderwijs ontsloten aspecten van de wereld. Hiertoe moet de leerkracht gangbare overwegingen van nut, functionaliteit en directe toepasbaarheid kunnen relativeren.
  • De praktische beoefening van ambachtelijke vaardigheden (handwerk, tuinbouw, houtbewerking) is bij uitstek het middel waarmee de innerlijke motivatie voor werk en in bredere zin voor het deelnemen aan de samenleving gevoed wordt. Innerlijke motivatie staat hier tegenover externe motivatie.
  • Instrumentarium van het eigen opvoedingsproject (pedagogisch-didactische eigenheden):
  • Gefaseerde ontwikkeling (ontwikkelingspatronen met aandacht voor de unieke geaardheid van het individuele kind met zijn eigen aanleg en biografie, onderwijs dat deze wetmatigheden van deze fasering volgt: keuze van de leerinhouden, leermethodes, didactische middelen, verhouding tot de leerlingen) Enkele voorbeelden: van verhaal tot geschiedenis, van klanktaal over beeldtaal naar teken- en gedachtetaal, vormtekenen met de vrije hand wordt geometrie met passer en liniaal, ...
  • Engagement van de leraar: verticale mobiliteit als doelstelling (een zelfde kleuterjuf gedurende de hele kleutertijd, de klasleraar begeleidt zo mogelijk de klas meerdere schooljaren)
  • Jaarklasthema's: parallellen tussen bewustzijnsontwikkeling van het kind en de mensheidsgeschiedenis vb: vertelstof (leergebied Taal), cultuurbeschouwing.
  • Ritme: gevarieerde, gemetamorfoseerde herhaling - ritmische afwisseling tussen lesinhouden en onderwijsvormen vb: de hoofdvakken kennen periode-onderwijs (zodat de leerstof kan bezinken); de jaar-, week-, dag- en lesopbouw vb: ochtendspreuk, jaarfeesten.
  • Kunstzinnige activiteit: leerinhoud vanuit eigen wetmatigheden in zijn kunstzinnige vorm laten verschijnen, leidt tot harmonisering van denken, voelen en willen (vormtekenen, nat in nat-schilderen, handwerk, muziek).
  • Pedagogische evaluatie: geen schoolse evaluatie, geen competitie. Wel intensief contact met ouders, kinderbesprekingen, schoolrijpheidsonderzoek, 2de klas-onderzoek, eigen leerlingvolgsysteem, perioderapporten, naast officieel ook eigen getuigschrift met genuanceerd beeld van de leerling.
  • Cultuurbeschouwing (met zijn onmetelijke schat aan verhalen en beelden) laat zich als vak niet vernauwen tot een zoektocht naar een bepaalde godsdienst of filosofie (inclusief het antroposofisch mens- en maatschappijbeeld, inspiratiebron van ons onderwijs), in de zoektocht naar het eigen ik moet een kind aanknopingspunten kunnen vinden in een breed cultureel aanbod. Bij elke leeftijd sluit een cultuurfase aan. De weg die de mensheid is gegaan wordt door de leerlingen individueel en in enkele jaren in het klein overgedaan. Aanleiding te over om te lezen, te vertellen, te tekenen, te schilderen, te musiceren en toneel te spelen ...

Vanuit haar aard kan Cultuurbeschouwing zich dus niet in strakke, expliciete leeritems presenteren.
Elk leergebied, elke leerinhoud of elke activiteit zowel vanuit de menswetenschappen, de kunsten als vanuit de toegepaste of exacte wetenschappen kan doordrongen zijn van het religieuze. Door beleving van het ware, het mooie en het goede kan een kind geleid worden naar moraliteit en religiositeit. Muzikale harmonie kan verbondenheid oproepen, delen in de rekenles het delen met anderen,enz.


Door vertelstof kan een waaier van zowel materialistische als spirituele mens- en wereldbeelden naast elkaar worden aangeboden. Op basis van hun morele inhouden worden de verhalen met zorg gekozen. De algemeen menselijke, morele vorming staat hierbij op de voorgrond. Als grondstemming wordt een religieus geïnspireerde sfeer, los van een confessie nagestreefd.


        Naar: Kunstzinnig onderwijs / Ontwikkelingspsychologie


Aanbevolen lectuur voor ouders:

"De kleine ontdekkingsreiziger - over kleuters en onderwijs" (J. Boessen) - 36 blz

Kijkend naar een kleuter zie je de wereld opengaan: de kleuter kijkt, tast, proeft en bedenkt de wereld om hem heen met een voor ons ongekende gretigheid. 

En bij elk nieuw iets dat hij ontdekt, is hij oprecht verwonderd, verheugd over de vele schatten die de wereld herbergt. Kijkend naar een kleuter zie je ook de enorme kwetsbaarheid van dit mensje-in-wording. Bij iedere nieuwe vondst is hij niet alleen verheugd, maar ook verschrikt. De wereld is ook zo groot en nog zo ongekend! De kleuter lijkt in dit opzicht een beetje op de ontdekkingsreizigers uit vroegere tijden: hij verovert al etend, lopend, pratend en denkend de wereld Zodra er land in zicht komt, waant hij zich koning van dit prachtige eiland. Maar op open zee voelt hij zich dikwijls verloren, niet wetend welk sterrenspoor te volgen. En waren het de eerste drie levensjaren nog alleen de ouders die voor kompas en proviand zorgden, vanaf de eerste schooldag delen zij deze taak met de juf of de meester.

Dit cahier gaat over de kleuterschool en behandelt naast de pedagogische grondbeginselen van de steinerschool, ook het antroposofisch mensbeeld en de verschillende ontwikkelingsfasen van het kind. Verder is er veel aandacht besteed aan het beschrijven van de dagelijkse gang van zaken in de klas. Wat doen de kleutertjes allemaal op school, en met welke bedoeling? Ook de jaarfeesten en de sprookjesvertellingen komen aan bod. Hier wordt op een praktische en toegankelijke manier gepoogd het hoe en waarom van deze activiteiten te beschrijven. Dit boekje is een aanrader als kennismaking met de achterliggende antroposofische gedachten van de steinerschool, en is met name geschikt als praktische handleiding en ‘vraagbaak’ voor ouders en kandidaat-ouders.


"Zes jaren basisonderwijs in de steinerschool" 

(L. Spranghers, E. De Moor) - 55 blz

In dit cahier proberen de auteurs een antwoord te geven op de vraag : "Wat gebeurt er allemaal in de klas van mijn kind ?"

Als ouders van een peuter of kleuter heb je nog een beetje toegang tot de klas. Elke ochtend kan je je kleintje tot voorbij de klasdeur begeleiden. Zodra je zoon of dochter schoolrijp geworden is, gaat die klasdeur voor jou als ouder langer dicht. Wat daarachter dan allemaal gebeurt, kun je volgen in de schriften van je kind of in zijn of haar verhalen, maar bij vele ouders blijft het verlangen om heel even een vliegje te kunnen zijn. Dat is wat wij met deze publicatie willen proberen.

Er zijn vele mogelijkheden om met de specifieke aanpak en de inhoud van de lessen op de steinerschool kennis te maken. Mensen die hun kind reeds op een steinerschool hebben, worden op ouderavonden door de klasleerkracht op de hoogte gebracht van dit reilen en zeilen. Verder is er het uitgebreid leerplan voor het basisonderwijs in de Rudolf Steinerpedagogie, dat zeer toegankelijk is en een volledig overzicht biedt van wat kinderen op steinerscholen aangeboden krijgen.

Toch blijft de autonomie van de leerkracht één van de belangrijke pijlers van de steinerpedagogie. Een leerkracht op een steinerschool volgt geen voorgeschreven methode, maar verwerkt de leerstof volgens zijn eigen persoonlijkheid en op maat van de kinderen in zijn klas.

Wij hopen met dit cahier een aantal vragen rond thema’s, les- en leerstof op onze scholen te beantwoorden en de stap naar het leerplan, dat op elke steinerschool verkregen kan worden, minder groot te maken.


 " De middelbare school volgens de Rudolf Steinerpedagogie"  (Werner Govaerts)

In dit cahier worden zeer concrete gegevens uit de leerplannen van de verschillende vakken bijeengebracht. Het cahier is bedoeld voor ouders en belangstellenden die een duidelijk zicht wensen te krijgen op wat er precies gegeven wordt in de middelbare steinerschool.

In zekere zin is dit cahier het resultaat van een decennium leerplanwerk, gepresteerd door tientallen leraren in middelbare steinerscholen. In vakgroepen legden zij bijeen wat ze in de verschillende leerjaren aanbrachten, hoe ze dat deden en waarom. Dit alles werd in leerplanteksten gegoten, met de bedoeling dat enerzijds ook nieuwe leerkrachten zich meteen zouden kunnen inwerken en anderzijds dat de onderwijsinspectie een houvast zou hebben voor het toezicht op de steinerscholen.

In dit cahier werden geen leerplandoelstellingen of eindtermen opgenomen, maar alleen de leerstof per vakgebied, onderverdeeld in de verschillende leerjaren. Daardoor geeft het geen volledig beeld van waar het in de steinerpedagogie om gaat. Het element opvoeding komt hier bijvoorbeeld minder aan bod. Wél is het handig om grosso modo een idee te hebben van wat er op een middelbare steinerschool wordt onderwezen.

Deze cahiers worden uitgegeven door de Rudolf Steiner Academie Antwerpen.

Voor inlichtingen, bestellingen, aanvragen documentatie en studiemateriaal :  Rudolf Steiner Academie   - 03/237 87 10 of info@rudolfsteineracademie.be 
 (met vermelding van naam en adres)